Westersingel 4, 8913 BK Leeuwarden

Onderzoek

Voordelen tweetaligheid
Tweetaligheid is goed voor de cognitieve, de taalkundige en de sociale ontwikkeling van kinderen . Dit blijkt bijvoorbeeld uit de onderzoeken van Cummins, Mc McLeay, Keshavarz & Asteneh , Ianco-Worall, Bialystok en Price. Tweetalige kinderen leren gemakkelijker een derde of vierde taal. Wat de cognitieve ontwikkeling betreft zijn ze bijvoorbeeld vaak beter in het scheiden van relevante en niet-relevante informatie.

Voorwaarde daarbij is dat er sprake moet zijn van gelijkwaardige tweetaligheid; kinderen moeten beide talen (net zo) goed beheersen, en ze beide ook waarderen (Seifert voor & Hoffnung 1994). Daarbij komt dat het niveau van het beheersen van de moedertaal sterk bepalend is voor het niveau van het beheersen van de tweede taal. Dit vergt extra aandacht in tweetalige situaties waar sprake is van een minderheidstaal en een meerderheidstaal, waarbij de minderheidstaal een lagere status heeft en minder wordt gebruikt in bijvoorbeeld de media en het onderwijs (Duquette Gardner 1990, 1991).

De moedertaal van kinderen die een minderheidstaal spreken is extra kwetsbaar in de vroegvoorschoolse periode, wanneer de taalbasis wordt aangelegd en de taalidentiteit ontwikkeld wordt (Cummins 2000).

Immersion <-->Submersion  
Over het algemeen leiden early immersion-programma's (meerderheidssprekers worden in de voorschoolse periode ondergedompeld in de minderheidstaal) tot goede resultaten in de beheersing van de moedertaal én de tweede taal. De tweede taal wordt al spelend toegevoegd aan de moedertaal, terwijl de hoge status en de dominante maatschappelijke positie van de moedertaal ervoor zorgt dat de ontwikkeling van de moedertaal niet onderbroken wordt (Swain 1981, Hicky 2001).

Early-submersion-programma's (minderheidssprekers worden in de voorschoolse periode ondergedompeld in de meerderheidstaal) hebben echter vaak een averechts effect . Die programma's kunnen de toch al lage status van de minderheidstaal verder verlagen, en daardoor de ontwikkeling van de moedertaal onderbreken (Campos & Rosenberg 1995, Duquette 1990).

Dat verklaart ook waarom voorschoolse programma's waarbij minderheidstaalsprekers volledig opgevangen en onderwezen worden in de minderheidstaal, uiteindelijk tot betere resultaten kunnen leiden in de beheersing van de meerderheidstaal dan programma's waarbij niet of slechts gedeeltelijk in de minderheidstaal wordt onderwezen (Campos & Rosenberg). Vertaald naar Friesland betekent dat dat (goede) Friestalige voorschoolse  programma's voor Friestalige kinderen uiteindelijk tot een betere beheersing van het Nederlands kunnen leiden dan tweetalige of Nederlandstalige programma’s .

Wat betekent dat voor Friestalige kinderen?
Door de dominante positie van het Nederlands bestaat het risico dat de ontwikkeling van de moedertaal afgeremd wordt. In de voorschoolse periode moet daarom de nadruk worden gelegd op het Fries. Veel aandacht voor het Fries in de voorschoolse instelling zal bijdragen aan de verbreding van de basis van de moedertaal van Friestalige kinderen, en zal een positieve invloed hebben op hun  houding voor die taal.

Wat betekent dat voor Nederlandstalige kinderen?
Die kinderen kunnen profiteren van de voordelen van tweetaligheid door ze op jonge leeftijd al spelend in contact te brengen met de tweede taal. Omdat het Nederlands de dominante taal is en niet alleen thuis wordt gebruikt maar bijvoorbeeld ook in de media en het onderwijs, wordt de ontwikkeling van die taal niet negatief beïnvloed .

Uitgangspunten taalbeleid voorschoolse periode :

  • Het creëren van een omgeving waarin de taalontwikkeling van kinderen in gestimuleerd wordt
  • Het uitdragen van de meerwaarde van twee - en meertaligheid
  • Het consequent gebruik van de beide talen (zodat kinderen de talen makkelijker kunnen scheiden)
  • Het stimuleren van tweetaligheid bij alle kinderen door in de voor- en periode goed aandacht te schenken aan de minderheidstaal
  • Een goede afstemming tussen voorschoolse instelling en de basisschool, waarbij het Fries zich verder kan ontwikkelen en er vanaf groep 1 ook duidelijk aandacht is voor het aanbod en het actieve gebruik van het Nederlands.


mei 2006, Eelke Goodijk (Cedin), Bernadet de Jager (Fryske Akademy) , Sytske de Boer (Centrum Friestalige Berne-opfang)

Onderzoek